Deze week hadden wij een zitting bij de Rechtbank Amsterdam over de ontvankelijkheid van Amnesty International Nederland en zes individuele eisers in hun procedures over demonstratierecht.
Deze procedures gaan over een zeer verregaande schending van een belangrijk mensenrecht: het recht om te demonstreren. De Gemeente schond volgens Amnesty het demonstratierecht door in 2024 voor zes dagen een algeheel demonstratieverbod uit te vaardigen in twee noodverordeningen. Zo’n verbod vormt een gevaar voor de rechtsstaat, omdat het mensen belemmert om hun mening in het openbaar te uiten en om gezamenlijk aandacht te vragen voor maatschappelijke kwesties. Daarnaast heeft zo’n verbod een afschrikwekkend effect (‘chilling effect’): mensen kunnen ervan worden weerhouden om gebruik te maken van hun demonstratierecht.
Maar voor we het daarover kunnen hebben, moet eerst duidelijk worden of Amnesty en de individuele eisers wel toegang hebben tot de civiele rechter. Een beoordeling die door de invoering van de WAMCA complexer, tijdrovender en duurder is geworden. Wat o.a. voorafgaand en tijdens de zitting aan bod kwam:
- mogen de individuele eisers wel tegelijk met de collectieve actie van Amnesty procederen (is subjectieve cumulatie ook onder de WAMCA toegestaan)?
- hebben individuele eisers wel voldoende belang bij hun vorderingen, als zij ook tot de achterban van Amnesty behoren (3:303 BW)?
- bestond er een rechtsingang bij de bestuursrechter die doeltreffende rechtsbescherming bood, of mogen de eisers bij de civiele rechter procederen? Maakt het daarvoor uit dat er één andere burger een bezwaar is gestart over een demonstratie ten tijde van het demonstratieverbod?
30 september 2026, iets meer dan een jaar na het indienen van de dagvaarding, horen onze cliënten of ze over de schending van het demonstratierecht verder mogen procederen.


