Aanleiding
In november 2024 vaardigde de burgemeester van Amsterdam twee opeenvolgende noodverordeningen uit. Deze verordeningen bevatten een algeheel demonstratieverbod voor de hele stad. Gedurende zes dagen mocht nergens in Amsterdam worden gedemonstreerd.
Aanleiding waren ernstige racistische incidenten tegen joden en moslims rond de voetbalwedstrijd Ajax–Maccabi Tel Aviv op 7 november 2024. De ongeregeldheden waren in de vroege ochtend van 8 november beëindigd. Amnesty Nederland stelt dat een algeheel demonstratieverbod niet gerechtvaardigd was en door de rechter moet kunnen worden getoetst.
Tijdens de laatste drie dagen van het verbod bestond formeel een mogelijkheid om een ontheffing te krijgen. De gemeente heeft deze mogelijkheid echter niet publiekelijk bekendgemaakt. Daarom was volgens Amnesty Nederland sprake van een feitelijk algeheel demonstratieverbod.
De rechtszaak
Amnesty Nederland en zes individuele mede-eisers hebben in augustus 2025 de gemeente Amsterdam gedagvaard. Zij vragen de rechter om te beoordelen of de opgelegde demonstratieverboden onrechtmatig waren.
Op 18 augustus 2026 vond de eerste zitting plaats bij de rechtbank Amsterdam. Daarin stond de ontvankelijkheid van Amnesty Nederland en de individuele mede-eisers centraal. Ontvankelijkheid gaat over de vraag of een partij volgens de wet een zaak aan de rechter mag voorleggen.
De eisers worden bijgestaan door mr. J. Klaas en mr. M.B. Hendrickx van stichting PILP.
Juridische gronden
Amnesty International en de mede-eisers voeren aan dat de demonstratieverboden in strijd waren met het demonstratierecht. Zij baseren zich op drie hoofdargumenten:
- Het demonstratierecht staat geen algehele demonstratieverboden toe. Iedere demonstratie heeft een eigen vorm, aard, locatie en tijdstip. De burgemeester moet daarom per demonstratie een individuele beoordeling maken en nagaan welke beperkingen, als die nodig zijn, passend zijn.
- Er was geen sprake van bestuurlijke overmacht. Een voorafgaand algeheel verbod kan alleen aan de orde zijn bij een gegronde vrees voor zeer ernstige wanordelijkheden die, in combinatie met onvoldoende politiecapaciteit, tot een onhoudbare situatie leiden. Volgens de eisers had de gemeente eerst moeten zorgen voor voldoende politiecapaciteit.
- Noodwetgeving is voor het reguleren van demonstraties in beginsel een te zwaar middel. Demonstraties moeten worden gereguleerd op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom). Noodbevoegdheden zijn bedoeld voor acute en onvoorziene situaties, zoals oproerige bewegingen, ernstige wanordelijkheden of rampen. Volgens Amnesty Nederland was daarvan geen sprake. Ook voldoen de gemeentelijke noodbevoegdheden niet aan de mensrechtelijke vereisten voor derogatie.
Wat willen eisers bereiken?
De eisers vragen de rechtbank om vast te stellen dat de demonstratieverboden in strijd waren met het demonstratierecht, en dat een algeheel verbod via een noodverordening alleen mag bij een acute, onvoorziene noodsituatie, die formeel is uitgeroepen én waarbij ook bij derogatie sprake is van naleving van mensenrechten.
Volgens de eisers is zo’n verbod alleen geoorloofd bij een acute en onvoorziene noodsituatie, die formeel is uitgeroepen, en waarbij de vereisten van derogatie en de mensenrechten worden gerespecteerd. De noodbevoegdheden op grond van de Gemeentewet voldoen daar niet aan. De eisers willen met deze rechtszaak duidelijkheid krijgen over het juridisch kader voor burgemeesters. Regulering van demonstraties op grond van de Wom moet daarbij het uitgangspunt zijn.


